Boekbespreking door Nout Wellink
Nout Wellink las het boek Breakneck: China’s Quest to Engineer the Future waarin grootmachten China en de VS worden vergeleken. Auteur Dan Wang, een man die in beide werelden heeft gewoond, gaat in op thema’s als technologie, bouw- en infrastructuur, het eenkindbeleid en de coronacrisis. Hij bedient zich van flink wat uitvergrotingen, wat tot interessant leesvoer leidt, aldus oud-bankier met veel China-ervaring Wellink in zijn recensie, voorzien van commentaren.
Spiegelbeelden en tegenpolen
Dan Wang’s boek Breakneck: China’s Quest to Engineer the Future begint lichtelijk provocerend: er zijn zijns inziens geen twee volkeren die meer op elkaar lijken dan het Amerikaanse en het Chinese. Dan volgt een lijst van gemeenschappelijke karakteristieken, waaronder een materialistische en pragmatische instelling, een voorliefde voor grenzen opzoekende projecten, de overtuiging van de grootheid van eigen natie, etc. Alleen als je deze twee landen in hun eigen functioneren en onderlinge interactie goed begrijpt, kun je in Wang’s visie de grote veranderingen die thans mondiaal optreden voldoende doorgronden. Daarin heeft hij uiteraard gelijk, maar een beetje goedkoop is wel zijn uithaal naar Europa. Haar economie vergelijkt hij met een mausoleum, een pompeus economisch bouwwerk waarin slechts de resten zijn terug te vinden van een glorieus verleden.
Wang, een Chinese Canadees die evenveel jaren in de VS als in China heeft gewoond, beschrijft China als een “engineering state, which can’t stop itself from building big at breakneck speed” en Amerika als een “lawyerly society, blocking everything it can, good and bad”. Dit lijkt mij een wat ontsporende uitvergroting van op zichzelf bezien herkenbare karakteristieken. Toch zijn het de uitvergrotingen die dit boek zo stimulerend om te lezen maken.
Ingenieursmentaliteit van het Politbureau
Rond 2002 hadden alle negen leden van het Politbureau een ingenieursopleiding gevolgd. Wat willen ingenieurs? Bouwen! Vanaf de oudste tijden zijn Chinese leiders ook social engineers. In hun relatie tot de samenleving proberen zij volgens Wang als waterbouwkundige ingenieurs stromen te beïnvloeden en slaan zij geen acht op de individuen die deel uitmaken van die stromen. Zij richten zich alleen op de groep als geheel.
Ingenieurs lopen zijns inziens knalhard, maar in beide richtingen: vooruit, en als het mis gaat achteruit. Daarbij verwijst hij naar de grote beleidswijzigingen sinds 1949, het jaar dat Mao de republiek stichtte: de Culturele Revolutie, het eenkindbeleid, het genadeloos neerslaan van de demonstratie op Tiananmenplein, de coronabestrijding. Of ingenieurs erg gelukkig zullen zijn met de aan hen toegeschreven eigenschappen, laat ik gemakshalve maar even in het midden, maar het stellen van het belang van de groep boven dat van het individu en de verbeten nastreving daarbij van gestelde doelen zijn herkenbaar.
Amerikaanse juristenstaat
De VS daarentegen worden in Wang’s visie niet gerund door bouwers, maar door remmende juristen. Illustratief is dat in de VS vijf van de laatste tien presidenten een rechtenstudie volgden, evenals de helft van de Congresleden. In de 19e eeuw was de Amerikaanse politieke elite overtuigd van het belang van kanalen, spoorlijnen en wegen. Daarna namen de advocaten het over. Zij doen nuttig werk ter bescherming van de belangen van individuele burgers, maar grote projecten duren in de VS daardoor wel erg lang en zijn ook uitermate kostbaar.
China lijkt volgens Wang op de VS van een eeuw geleden. Ik denk dat de nadruk op infrastructuur – destijds in de VS, nu in China en in onder meer de landen langs de Zijderoute – niet los kan worden gezien van de ontwikkelingsfase van een land. Ook in Nederland speelde infrastructuur tijdens de vroege industrialisatieperiode een grote rol. Koning Willem I stimuleerde de aanleg van kanalen, verharde wegen en industrialisatie, en stond niet voor niets bekend als de Kanalenkoning. Willem II had op zijn beurt een grote belangstelling voor spoorwegen. Nederland heeft veel te danken aan het belang dat beide vorsten aan infrastructuur hechtten.
Wang gaat in een aantal hoofdstukken gedetailleerd in op de beleidsterreinen waar naar zijn oordeel China een ingenieursaanpak heeft gevolgd: bij gigantische bouw- en infrastructurele projecten, bij technologie, het eenkindbeleid en corona.
Bouw en infrastructuur
China heeft met haar ingenieursaanpak in Wang’s ogen enorm veel bereikt. Door binnenlandse migratiestromen groeide sinds 1978 de stedelijke bevolking met 16 miljoen per jaar. Dit betekent dat gedurende 35 jaar ieder jaar een stad moest worden gebouwd ter grootte van de omvang van (bijna) de Nederlandse bevolking, met uiteraard daarop aansluitende transportmogelijkheden. Niet onbegrijpelijk lijkt mij dat bij dit soort gigantische bouwinspanningen vraag en aanbod niet altijd naadloos op elkaar aansloten en bijvoorbeeld tijdelijk halflege woonwijken uit de grond verrezen. Maar er zijn ook meer structurele schaduwkanten van het gevoerde beleid: hoge schulden voor niet-rendabele, soms megalomane projecten, de implosie van de onroerendgoedsector, vernietiging van cultureel erfgoed, geringe tolerantie voor andersdenkenden, negatieve effecten voor het milieu en overproductie.
China geeft inmiddels volgens Wang te veel uit aan infrastructuur (in 2016 13,5% van het bbp), de VS te weinig (gedurende de laatste decennia gemiddeld slechts 3%). De aanpak in beide landen is zijns inziens aan het vastlopen. In Amerika is overal verwaarlozing van infrastructuur waarneembaar (bruggen, wegen) en in China dienen andere beleidsterreinen een hogere prioriteit te krijgen, zoals het sociale vangnet.
Technologie
Wang’s beschouwingen over de ontwikkeling van de technologiesector zijn bijzonder interessant. Die ontwikkeling heeft veel te danken aan het Amerikaanse bedrijfsleven. De vestiging van Apple- en Tesla-fabrieken in Shenzhen was cruciaal voor de spectaculaire groei van de stad, die uitgroeide tot het Silicon Valley van China. In deze fabrieken, waarvan de toeleveringsketens nauw verweven raakten met Chinese bedrijven, werden Chinese werknemers opgeleid die hun kennis later in andere sectoren toepasten. Zo werd Shenzhen de thuisbasis van BYD (elektrische auto’s), DJI (drones) en Huawei (telecommunicatie). De iPhone gaf de ontwikkeling van de stad een enorme impuls, met onder meer een Foxconn-campus, winkels en woonwijken. Dit alles in nauwe samenwerking met de autoriteiten, die hielpen bij het vinden van personeel en grond.
Volgens Wang is China’s succes, bijvoorbeeld in de auto-industrie, ook te danken aan de openstelling van de markt en de concurrentie die daaruit voortvloeide, en niet aan gedwongen technologieoverdracht, wisselkoersmanipulatie of subsidies. Wang concludeert op basis hiervan dat – onder voorwaarde van technologieoverdracht – de komst van Chinese fabrieken naar de VS niet verhinderd dient te worden. Misschien moeten we inderdaad ook in Europa wat genuanceerder kijken naar Chinese autofabrikanten die in hoog tempo in Spanje en Hongarije fabrieken bouwen om importheffingen te voorkomen en de logistieke keten te verkorten.
Bij technologie gaat het volgens Wang in belangrijke mate om proceskennis en -ervaring. Een belangrijke reden voor de verminderde belangstelling voor de maakindustrie (waarvoor proceskennis essentieel is) is dat in de VS (maar ook elders in de westerse wereld) financiële investeerders liever investeren in minder kapitaalintensieve producten (bijvoorbeeld sociale media, digitale platforms) dan in zware industrie, en bedrijven meer kijken naar shareholder value. Amerika moet in Wang’s visie minder aandacht geven aan het mythische moment van creatie en meer aan het opschalen en verbeteren van fysieke productieprocessen. Dat besef lijkt onder President Trump gegroeid, maar er wordt naar mijn indruk nogal ongericht en chaotisch, onder meer met behulp van importtarieven, vorm aan gegeven.
Het eenkindbeleid
Het eenkindbeleid heeft meer sociale pijn in China veroorzaakt dan welk ander beleid ook. Rare standpunten werden over de bevolkingsomvang verkondigd. Zo zei Mao dat hij niet bang was voor kernbommen en bereid was de helft van de bevolking te verliezen, want “The years will pass, and we’ll get to work producing more babies than ever before”. In Mao’s visie kon China nooit te veel inwoners hebben, omdat elk probleem met een uitbreiding van de productie zou zijn op te lossen. De laatste jaren van Mao, met zijn Culturele Revolutie, waren chaotisch. Niemand wist hoeveel inwoners het land telde, maar toen in 1978 het getal van bijna 1 miljard kwam bovendrijven, reageerden de autoriteiten geschokt. Rechtlijnige extrapolaties leidden vervolgens tot de conclusie dat China in 2050 3 miljard inwoners zou hebben, bij een qua voedsel optimale omvang van 700 miljoen. Het Chinese leiderschap geloofde de stelling van de wetenschappers (met name Song) dat bevolkingsgroei net zo goed gecontroleerd kon worden als het afschieten van een raket.
De Communistische Partij kon – zo schrijft Wang – niet geheel om menselijke emoties en bestaande ethiek heen. Ze deed in 1980 een klemmend, onderbouwd beroep op het volk om met één kind genoegen te nemen. Maar de implementatie was gruwelijk: fysieke, manuele inspecties, gedwongen sterilisaties en abortussen.
Gedurende de 35 jaar van het eenkindbeleid werden 321 miljoen abortussen uitgevoerd, 108 miljoen vrouwen gesteriliseerd en 26 miljoen mannen. Wang ontleent deze cijfers aan officiële Chinese bronnen. Zijn hoofdstuk hierover leest als grimmige sciencefiction. Op het platteland klaagden vrouwen dat zij werden behandeld als vee; in de steden was de situatie iets minder schrijnend. In 1983 werd het beleid enigszins versoepeld en kregen meer echtparen toestemming voor een tweede kind, maar de uitvoering bleef hard en mensonterend. In 2015 maakte het eenkindbeleid plaats voor een tweekindbeleid, en sinds 2021 zijn drie kinderen toegestaan. Wrang is dat het geboortecijfer door de stijgende welvaart waarschijnlijk ook zonder overheidsingrijpen sterk zou zijn gedaald. Dat werd mij in 2017 of 2018 al verteld door een topeconoom van de Partij.
De trauma’s zijn verzacht, maar de echo van dit beleid zal nog lang nagalmen. Onbegrijpelijk dat dit in een land gebeurde met respect “for family, kin and filial piety”. Alleen een ingenieursstaat kon volgens Wang zo’n eenkindbeleid verzinnen en daadwerkelijk uitvoeren, omdat in zo’n staat de burgermaatschappij onvoldoende ontwikkeld is om tegenwicht te bieden.
De corona crisis, de eerste golf
Wang beschrijft zowel de eerste als de tweede coronagolf in China. De eerste startte in januari 2020 en was binnen ongeveer 12 maanden onder controle; de tweede begon in april 2022 en liep grosso modo door tot het eind van dat jaar. Eerste tekenen van een mogelijk nieuw virus waren al wat eerder gesignaleerd, maar de berichtgeving daarover werd aanvankelijk onderdrukt door lokale autoriteiten.
Begin januari 2020 was ik nog in Beijing, net voor de lockdown op 23 januari van de provincie Hubei met haar 12 miljoen inwoners tellende hoofdstad Wuhan. In de weken en maanden daarna heb ik met enige regelmaat contact gehad met Chinese collega’s bij de bank waaraan ik als niet-uitvoerend bestuurslid verbonden was. Daardoor voelde ik mij de eerste maanden in een soort parallel universum terechtkomen. Een Chinese vriend mailde mij meteen na de lockdown dat hij naar zijn huis in de bergen was gevlucht, omdat de overheid alleen zulke drastische maatregelen zou nemen als er iets zeer ernstigs aan de hand was. In een spoed-teleconferentie met de bank werd enkele dagen na de afsluiting van de provincie Hubei de ernst van de situatie nog eens uitvoerig uiteengezet en besloten tot een groot steunpakket voor de slachtoffers van het virus. Aan het motto van de bank (“Serving society”) werd onmiddellijk inhoud gegeven.
Iedereen in Nederland kon op tv volgen hoe serieus de Chinezen de uitbraak van het virus namen, maar aanvankelijk vond – overigens niet alleen in ons land en ook toen het virus reeds in Italië was gearriveerd – een hardnekkige onderschatting plaats. Mijn Chinese collega’s maakten zich zorgen over de aanpak in Nederland. Hun zorgen betroffen onder meer de afwezigheid van testen, mondkapjes (die volgens enkele Nederlandse geleerden toch niet hielpen en “iets voor Aziaten zijn”), informerende en detecterende tests, en kinderen die nog onbeschermd naar school konden gaan. Ook verbaasden zij zich bijvoorbeeld over het advies om in je mouw te niezen, zonder daarbij te melden dat je dan die trui of jas wel meteen in de was zou moeten doen. Zij stuurden mij ongevraagd enkele malen mondkapjes, handschoenen en ontsmettingsmiddelen.
China kreeg dankzij drastisch ingrijpen de eerste virusgolf veel sneller onder controle dan de rest van de wereld. Dit gold ook voor enkele nabij China gelegen landen, die min of meer de Chinese aanpak hadden gevolgd omdat ook bij hen de SARS- en MERS-epidemieën nog niet uit het collectieve geheugen waren verdwenen. De Nieuw-Zeelandse minister-president omschreef in oktober 2020 de noodzakelijke aanpak als een “go hard and early strategy, combining lockdown measures with a blitz of testing, contact tracing and quarantining”.
Er was aanvankelijk in China woede en onzekerheid over het harde ingrijpen van de overheid, maar dit veranderde volgens Wang in nationale trots toen die aanpak succesvol bleek te zijn. Diepe ingrepen in persoonlijke levensomstandigheden moest men daarvoor echter wel over hebben (zelfs panda’s in onderzoekscentra werden op covid gecontroleerd). Niet alles ging goed. China had weliswaar veel geleerd van eerdere crises en een uitgebreid surveillancesysteem ontwikkeld voor epidemieën, maar de zwakte in het politieke systeem was dat lokale politici gezondheidswerkers verhinderden te rapporteren en klokkenluiders zelfs straften.
Omikron, de tweede golf
De tweede coronagolf (omikron) vanaf december 2021 kwam als een grote, onverwachte schok. Opnieuw volgde een keiharde aanpak: onderbrenging van besmette mensen in quarantaine gebouwen, baby’s en kinderen werden gescheiden van hun ouders, overbezette ziekenhuizen, grote problemen met voedselleveranties (onder meer doordat trucks allemaal op besmetting gecontroleerd moesten worden), onzekerheid over hoelang het nog zou duren en een voortdurend veranderend overheidsbeleid. Cynisch werd wel eens gezegd: dit is Xi’s common prosperity. Mensen gingen protesteren (bijvoorbeeld ’s nachts op pannen slaan), sommigen pleegden zelfs zelfmoord. De verspreiders van schrijnende verhalen werden vaak hard aangepakt. Xi verkocht de strijd tegen het virus echter als de people’s war. De toch al formidabele censuur werd steeds sterker.
Waarom stopte Xi plots het zero-covidbeleid? Volgens Wang vermoedelijk niet vanwege de protesten. Het aantal demonstranten was nooit erg groot, maar iedereen was uitgeput en het kostte duidelijk groei. Het optreden van de overheid was ook erratisch. Mijn indruk is dat daardoor het vertrouwen in de effectiviteit van het overheidsoptreden snel afbrokkelde. In november 2022 werd de grip op het virus verloren, ook in Beijing, waar het verzet tegen de maatregelen tijdens de tweede golf relatief groot was. In december werd het zero-covidbeleid beëindigd.
Corona is, net zomin als het eenkindbeleid, volgens Wang, uit het collectieve geheugen verdwenen. Er zijn diepe wonden geslagen. Zoals oudere mensen zich de ramp van de Culturele Revolutie herinneren, zo herinneren de jongeren zich de coronacrisis als product van de ingenieursstaat. Werd het eenkindbeleid nog afgedwongen en gecontroleerd op fysieke wijze, nu had men digitale werktuigen zoals gezichtsherkenning, mobiele netwerken, apps.
Zoektocht naar de juiste reactie
De balans opmakend is de voor de hand liggende conclusie dat in China een overreactie heeft plaatsgevonden wat betreft de inbreuk op de rechten van het individu, en in westerse landen een te late en soms te weinig ingrijpende aanpak is gevolgd. Wat deze conclusie echter in haar eenvoud zo onbevredigend maakt, is dat de inbreuk op individuele rechten ook zou moeten worden afgewogen tegen het aantal dodelijke en langdurige slachtoffers van het virus. Het officiële aantal coronadoden in China bedraagt 125.000, maar wetenschappers komen tot een aanzienlijk hoger, maximaal cijfer van bijna 2 miljoen. In Amerika zouden rond 1 miljoen mensen aan corona zijn overleden. Geschaald naar de omvang van de bevolking zouden er minstens 4 miljoen doden in China zijn geweest als de Amerikaanse verhoudingscijfers tussen het aantal doden en de bevolkingsomvang zouden worden gehanteerd. Geheel sluitende calculaties zijn echter niet mogelijk vanwege definitie- en registratieverschillen. Verlies aan mensenlevens, het daardoor veroorzaakte verdriet van familie en bekenden, long covid en andere repercussies van het coronavirus zijn gevolgen die moeten worden meegewogen bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de mate van inbreuk op individuele rechten. Een bijna onmogelijke opgave, ook omdat dit mede cultuurafhankelijk is.
Ik ben benieuwd naar de bevindingen van de Parlementaire Enquêtecommissie die recentelijk haar bevragingen van direct betrokkenen is gestart. Zoals ik in 2020 in mijn boek Ontgelden schreef, zou ik best willen weten welk standpunt de Nederlandse experts hebben ingenomen in de vergaderingen op 22 en 23 januari van het Emergency Committee van de WHO inzake de vraag of de WHO een Public Health Emergency of International Concern zou moeten afkondigen. In de weken daarna heeft intensief internationaal overleg plaatsgevonden en het lijkt me relevant of de politiek verantwoordelijken in Nederland hierover in voldoende mate zijn geïnformeerd. Op de uitdagingen voor besluitvorming door bestuurders, deskundigen en politici tijdens de coronacrisis ben ik in 2021 uitvoerig ingegaan in mijn bijdrage aan de afscheidsbundel (Cum Suis) voor de rector magnificus van de Leidse universiteit, Carel Stolker.
De toekomst
Wantrouwen en animositeit tussen de VS en China hebben inmiddels de plaats ingenomen van wederzijdse bewondering. Economisch, technologisch en diplomatiek beconcurreren beide grootmachten thans elkaar, wat ook een schaduw werpt op het leven van degenen die connecties aan beide kanten hebben. De vraag is hoe dit gemanaged kan worden zonder uit de hand te lopen, met wereldwijde desastreuze gevolgen. Elkaar begrijpen is cruciaal.
Wang vraagt zich af welk land de beste perspectieven voor de toekomst heeft. Volgens hem zijn dat de VS. Amerika heeft een voorsprong op China door de ruimte die wordt geboden aan een grote verscheidenheid van culturen, religies, ideeën, en door de volledige acceptatie van de rechten van het individu. De VS moeten volgens Wang wel de maakindustrie herstellen, want anders gaan overal in de wereld mensen in Chinese auto’s rijden, Chinese robots gebruiken, van Chinese vliegtuigen gebruik maken, etc. De Amerikanen zouden zich meer dan thans het geval is hun ingenieursverleden moeten herinneren en beseffen dat hun land kan bloeien zonder advocaten en micro-management.
Wang’s indruk is dat Xi van China één groot, van de buitenwereld afgesloten bolwerk wil maken. Er is weliswaar nog steeds handel en uitwisseling met het buitenland, maar Xi streeft naar een hoge graad van zelfvoorziening. China’s grootste kracht is volgens Wang haar beroepsbevolking, die proceskennis bewaart en doorgeeft. Op het gebied van de maakindustrie kan China een wereldleider worden. Amerika heeft de Chinese gedrevenheid versneld door haar handelsbeleid en behandeling van wetenschappers. Daarvan keren er steeds meer terug naar China, aangelokt door royale onderzoeksbudgetten en gestimuleerd door het inmiddels vijandige klimaat in de VS.
Het probleem met China is volgens de schrijver dat Xi misschien voor 60% gelijk heeft, maar zijn aanpak is te ruw. Ondernemers worden getraumatiseerd, het failliet laten gaan van onroerendgoedontwikkelaars tast het vertrouwen aan. Corruptie moet natuurlijk worden aangepakt, maar niet op zodanige wijze dat de bureaucratie zich geterroriseerd voelt. Het zijn de overreacties die schade aanrichten. Om die te voorkomen heb je een juristensamenleving nodig die tegenwicht kan bieden en het individu kan beschermen. De Communistische Partij zou de individuele mens meer centraal moeten stellen. Het land mist nog steeds een echt commitment om de rechten van het individu te respecteren.
Boeken van Nout Wellink die in dit artikel zijn genoemd:
* Ontgelden. Monetaire crises, corona en het Chinese perspectief, Arbeiderspers, 2020. (Hoofdstuk Intermezzo II: De uitbraak van het coronavirus in 2020 (blz. 50 t/m 67).
https://www.singeluitgeverijen.nl/de-arbeiderspers/boek/ontgelden/
* Cum Suis. Vriendenboek Carel Stolker, Boom juridisch Den Haag 2021. (“Crisisbestrijding: uitdagingen voor bestuurders, deskundigen en politici”)
https://www.boom.nl/juridisch/100-11610_Cum-Suis#omschrijving
Nout Wellink, lid van de Advisory Board van het International Monetary Institute, voormalig president van de Nederlandse Centrale Bank.