Brengt China dichterbij

Verschuivingen in de museumopleiding

door R.R. Knoop

“Weet u hoe ze vroeger een powerpoint maakten – iets met glas?” vroeg een Chinese studente me in wat een bui van vertrouwelijkheid moet zijn geweest. Ze was me, samen met twee andere studenten, toegewezen als begeleider en babysitter bij een bezoek aan de Shandong Universiteit in Qingdao. Want ondanks een jaar lang DuoLingo spreek ik nog geen woord Chinees en kan ik ook niet betalen met Alipay. In die historische havenstad in noordelijk China, halverwege tussen Shanghai en Beijing, was ik eind oktober een week te gast bij het Instituut voor Cultureel Erfgoed.

Van epidiascoop naar Transync AI

Een alumna van mij uit Hangzhou, waar ik tien jaar eerder een serie workshops had gegeven, was inmiddels gepromoveerd en had een postdoc-aanstelling in Qingdao. Ze had haar professor gezegd me uit te nodigen. Ik gaf twee colleges aan een zaaltje uiterst belangstellende stafleden en masterstudenten. Dat had ik een decennium lang al in Nederland gedaan als lector aan de Reinwardt Academie, de faculteit voor erfgoed van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten AHK. Nieuw was hier dat mijn Engelse verhaal door het programma Transync AI (kun je gewoon downloaden) simultaan vertaald op een tweede scherm werd geprojecteerd. Boven Engels, onder Chinees.

De dialoog met mijn publiek die erop volgde werd ook, nu in vier vakken, AI-vertaald geprojecteerd. De studenten keken er niet van op. Ik wel. Zelden zo’n gefocust Sino-Hollands gesprek gevoerd. Maar ik op mijn beurt kon de nieuwsgierige student uit de openingszin van dit stukje bijpraten over hoe opa vroeger college gaf met behulp van dia’s – meestal twee naast elkaar, zodat je het geheel samen met een detail kon tonen, of twee dingen met elkaar vergelijken. Daar hadden ze wel eens van gehoord, ja, maar ze hadden er geen beeld bij. Aldus gegoogled (dat heet in het Chinees vast anders) kwamen ze met een plaatje van een epidiascoop op de proppen, zo’n lichttoeter die je op een plaatje in een boek legt dat dan op een scherm wordt geprojecteerd. In elk geval voor mij weer aanleiding erop te wijzen hoe je met voortschrijdende technologie altijd het vocabulaire van de vorige fase gebruikt. Ook in Microsoft Powerpoint heten de plaatjes immers nog steeds slides. Van het heen en weer schuiven van dia’s in zo’n oude lampenprojector.

Museum-boom

Hoe kwam ik daar terecht? Wat had ik eerder gedaan in Hangzhou? Daarvoor gaan we even terug in de tijd. In 2013 had Patrick de Vries, toenmalig cultureel attaché van onze ambassade in Beijing, besloten om de culturele samenwerking tussen onze twee landen te focussen op creatieve industrie, film en… musea. Er had een heuse museum-boom in China plaatsgevonden;  van 200 rond de eeuwwisseling naar toen 3.600. Dat was een kans geweest. De Vries had in de Reinwardt Academie een partner gevonden om te kijken of er in China een markt voor Nederlandse ‘museumtrainingen’ was.

Dat bleek zo te zijn, en we hebben sindsdien, met steun van BuZa en OCW, in Beijing en Xian een tiental workshops van telkens een week gehouden voor senior stafleden van musea uit heel China. Of dat heeft bijdragen aan de doorgroei naar meer dan zevenduizend musea nu is moeilijk te zeggen, maar ik denk dat het heeft geholpen. 

Workshoppen in Hangzhou

Die Nederlandse museale bemoeienis met China had nog een aardig bijeffect. Tijdens onze verkenning in 2013 bezochten we ook universiteiten en kunstacademies. Een ervan, de prestigieuze Zhejiang Universiteit in Hangzhou, nodigde ons uit (een heel ding, want wie vraagt, betaalt) om te komen lesgeven over ‘participatieve musea’. Daar had men van gehoord, maar dat kende men niet goed. Het kwartje viel bij mij toen in het openingsgesprek het begrip ‘workshop’ als werkvorm onbekend bleek. In 2015-2016 gaf ik daarop samen met een Reinwardt-collega een langere workshop, van 6 weken, op dat onderwerp aan een vijftigtal masterstudenten en promovendi. Een daverend succes, met fotosessies en iedereen een certificaat en een gek hoedje van ons consulaat-generaal in Shanghai.

Zie ook hier:

De warme band bleef en ik gaf jaarlijks wel een online college of zelfs een hele-reeks. De uitnodiging om naar Qingdao te komen combineerde ik daarom met een week workshop in Hangzhou, afgelopen oktober.

Virtuele musea

Dat was schrikken. Een nieuw gebouw, volledig geoutilleerd, en inmiddels was de campus een compleet 16.400 m2 groot museum rijker (Zhejiang University Museum of Art & Archaeology).

Zie ook hier en hier:

En de studenten deden nu in vijf dagen waar hun collega’s van tien jaar geleden zes weken voor nodig hadden. Inclusief video’s met een walk through door een virtueel museum dat ze op mijn aanwijzingen hadden ontwikkeld. In de workshop ging het er namelijk om elke dag een groepsopdracht uit te voeren, na een inleidend college van mij en een museumbezoek, van toenemende moeilijkheid, op het onderwerp ‘museumpubliek van ontvanger naar maker, en wel rond een thema dat in een specifiek Chinese, publieke behoefte zou voorzien’. 

Want daar gaan participatieve museumpraktijken nu eenmaal over. Alweer stond ik paf. Alle Chinese maar ook Engelstalige literatuur die ik had opgegeven was verwerkt, en de creativiteit kende geen grenzen – en bleek niet zelden ook flink maatschappijkritisch. Men kwam met geweldige ideeën om aan gepercipieerde noden het hoofd te bieden, zoals intergenerationele musea (rond het bordspel mahjong!), iets rond alzheimer (want ook China veroudert) of resonantie als antwoord op eenrichtingscommunicatie van met name de overheid. Ik was vooral weg van fluidity (sommige dingen liggen volgens de studenten toch echt niet vast).

Verrassingen in het denken over erfgoed 

Tenslotte zag ik ook een gelijktijdige clash en vernieuwing in het denken over erfgoed. De clash zat hem in de confrontatie van oud en nieuw. De splinternieuwe buitenwijk van Qingdao rond de campus waar ik was, anderhalf uur met de metro vanuit het centrum, toonde de bekende onafzienbare rijen torenflats – tot aan de einder. Op de grens van de campus en het platteland was een markt of fair, waar zoals vanouds de boeren hun waren aan de man plachten te brengen, op door de maankalender bepaalde dagen. De ritmes van beide regimes leken me nog niet geheel synchroon te lopen, ofschoon de verkopers zich heel senang toonden, aldus door mijn begeleidster bevraagd. De maanmarkt (zoals ik ‘m maar even noem) werd door mijn professor-gastheer overigens als belangwekkend lokaal immaterieel erfgoed beschouwd.

Deze vernieuwing in erfgoeddenken-op-het-scherpst-van-de-snede vond zijn tegenhanger in de binnenstad van Qingdao. Beroemd om zijn originele bierbrouwerij Tsingtao, door de Duitse kolonisten daar in 1903 gesticht, groeide de stad al snel als kool uit het niets tot een stad met momenteel meer dan zes miljoen inwoners. Iedereen is dus migrant. Maar de Duitse kolonisten (Qingdao was een protectoraat direct onder de Kaiserliche Marine) wilden met de toestromende Chinezen niks te maken hebben, die vonden ze maar vies. Er werd daarom begin vorige eeuw een van de kolonie zelf streng gescheiden Chinatown ontworpen, met collectieve hofhuizen (liyuan) die voldeden aan de strengste Duitse hygiëneregels. Apartheid dus. De wijk werd na het vertrek van de Duitsers een overgangsgebied voor tijdelijke bewoners. Een soort Jordaan zoals die vroeger was. Overvol, gevaarlijk, zelfkant, onhygiënisch. Die wijk, Dabaodao geheten, is recent herontdekt als belangrijk erfgoed (zie ook hier)Het ziet er weer puntgaaf uit, grotendeels dan, en lijkt sprekend op onze Jordaan nu.

Hip, duur en flink gegentrificeerd. Tot mijn verrassing toont het net geopende buurtmuseum per decennium het dagelijks leven en de woonomstandigheden van Dabaodao. Inclusief de mottige Mao-jaren

En dat vond ik echt heel bijzonder.

Dr. Riemer R. Knoop is onderzoeker, adviseur en essayist met zijn eigen bureau Gordion Cultureel Advies. Tussen 2011 en 2019 was hij ook lector Cultureel Erfgoed aan de Reinwardt Academie (AHK).