Door Nout Wellink
Introductie
De aanbevelingen van het Centraal Comité van de Communistische Partij voor de formulering van het 15e Vijfjarenplan (2026 – 2030) zijn ambitieus en bestrijken een breed terrein. Hun uiteindelijke relevantie zal afhangen van de uitvoering en niet zozeer van geformuleerde doelstellingen, waarvan er vele – zoals een toekomstbestendige moderne economie, een harmonieuze samenleving, een gezond milieu, handhaving van de rechtsstaat en zekerheid op het gebied van voedsel, energie, en grondstoffen – internationaal breed worden gedeeld. Maar zoals het gezegde luidt: er leiden vele wegen naar Rome. De kernvraag betreft dan ook niet zozeer de doelen zelf, maar de gekozen route en de interne en externe implicaties daarvan.
De economie van China combineert een enorme totale omvang met een relatief laag inkomen per hoofd van de bevolking. Hoewel China de op één na grootste economie ter wereld is, staat het wereldwijd op rond de 70e plaats wat betreft inkomen per hoofd van de bevolking (op basis van koopkrachtpariteit). Voor China ligt de prioriteit bij het verhogen van de levensstandaard en het opbouwen van een gematigd welvarende samenleving; voor de rest van de wereld ligt de focus op de geopolitieke en economische gevolgen van China’s aanhoudende expansie. Het spreekt vanzelf dat het legitieme streven om een inhaalslag te maken op het gebied van inkomen per hoofd de omvang van de economie zal beïnvloeden, en daarmee ook China’s relatie met andere landen. Deze andere landen — in het bijzonder de Verenigde Staten, maar ook Europa — zullen moeten leren leven met het groeiende economische en politieke gewicht van China. Op haar beurt zal China behoedzaam moeten handelen tijdens dit proces van economische en geopolitieke transformatie.
Onevenwichtige groei
In april 2024 schreef ik in de International Monetary Review dat, ondanks geopolitieke tegenwind, een kwalitatief gezonde economische groei van ongeveer 5 procent voor de komende jaren haalbaar leek, niet in de laatste plaats omdat de Chinese autoriteiten bewezen hebben tijdig te reageren op onverwachte ontwikkelingen. Deze inschatting is inderdaad uitgekomen voor 2024 en 2025.
De vraag die zich nu opdringt is of de groeiambitie van ongeveer 5 procent naar beneden moet worden bijgesteld gezien de recente ontwikkelingen, en of het handhaven van deze ambitie niet dringend beleidsaanpassingen vergt. Dat laatste is duidelijk het geval. De externe omstandigheden zijn verslechterd door toegenomen geopolitieke onzekerheid en een grillig, steeds restrictiever Amerikaans handelsbeleid. Bovendien zijn al langer bestaande binnenlandse uitdagingen – met name in de vastgoedsector en op het gebied van de lokale financiën – slechts gedeeltelijk opgelost, mede doordat er onvoldoende gebruik wordt gemaakt van insolventiekaders.
Een relatief nieuw probleem is de groeiende kloof in bepaalde sectoren tussen binnenlandse vraag en aanbod. Sinds begin 2023 zijn de producentenprijzen gestaag gedaald. Achteraf bezien kan men zich afvragen of er wel voldoende aandacht is besteed aan deze daling. Dalende producentenprijzen kunnen het gevolg zijn van productiviteitswinsten, overcapaciteit of een combinatie van beide. Het is niet altijd eenvoudig vast te stellen welke factor overheerst. Hoewel de dalingen aanvankelijk consistent waren met productiviteitswinsten, wees het langdurig karakter ervan steeds meer op structurele overcapaciteit in verschillende sectoren. Dit heeft Chinese bedrijven gedwongen om nieuwe markten aan te boren, een strategie waarin zij zeer succesvol zijn gebleken. Hoewel sommige opkomende landen – met name in Azië en delen van Latijns-Amerika – hiervan profiteren, wordt dit in landen met een reeds sterk ontwikkelde industriële basis en relatief hoge kosten, zoals Europa, gezien als een vorm van dumping en een bedreiging voor de binnenlandse industrie. In deze landen, evenals in landen die door de VS onder druk worden gezet om importtarieven op Chinese producten te heffen, (zoals Mexico), heeft dit geleid – of zal het waarschijnlijk leiden – tot verdere handelsbeperkende maatregelen
De bijna onvermijdelijke conclusie is dat de economische groei van ongeveer 5 procent – met name in 2025 – op een niet-duurzame manier is bereikt. Bij de interpretatie van de cijfers voor 2025 is echter voorzichtigheid geboden. De handelstarieven die door de Verenigde Staten zijn opgelegd, evenals de tarieven die herhaaldelijk zijn aangekondigd, gewijzigd of uitgesteld, kunnen gedrag hebben uitgelokt dat de statistieken heeft vertekend – overigens niet alleen voor China.
China in een mondiale context
Het is zinvol om de ontwikkeling van de Chinese economie in een wat breder perspectief te plaatsen. De onderstaande tabel beslaat de jaren 2020–2025, een uitzonderlijke periode die werd gekenmerkt door de COVID-19-crisis en oplopende handelsspanningen. De cijfers zijn grotendeels ontleend aan de World Economic Outlook van het IMF van oktober 2025 en zijn voor 2025 nog voorlopig. Hoewel de tabel slechts een beperkt aantal macro-economische indicatoren bevat, laat deze niettemin enkele interessante conclusies toe. Kort samengevat laat de tabel zien dat alle grote economische blokken – de Verenigde Staten, de eurozone en China – samen goed voor bijna 60 procent van het wereldwijde bbp – voor aanzienlijke uitdagingen staan, zij het van verschillende aard. China is dus niet het enige land dat met grote economische uitdagingen kampt.
De Verenigde Staten zijn in sterke mate afhankelijk van consumptiegedreven groei, ondersteund door een expansief begrotingsbeleid. Dat heeft geleid tot aanhoudend grote tekorten op de lopende rekening van de betalingsbalans en (vooral sinds 2020) een snel oplopende staatsschuld. Amerikanen consumeren in buitensporige mate goederen uit het buitenland zonder te worden afgestraft met een sterke, structurele depreciatie van de dollar, dankzij diens status als wereldreservemunt. Door middel van invoerbeperkende maatregelen probeert de VS het tekort op de lopende rekening te verkleinen en productie naar eigen land terug te halen. Problemen die in eigen land ontstaan worden zo afgewenteld op andere landen.
De eurozone daarentegen kampt met ernstige beperkingen aan de aanbodkant van de economie, waaronder zwakke innovatie, een onvolledig ontwikkelde interne markt en een beperkte investeringsdynamiek, naast een zwakke particuliere consumptie (deels als gevolg van de coronacrisis en de oorlog in Oekraïne). Het begrotingsbeleid was minder expansief dan in de Verenigde Staten, hetgeen zorgen over de houdbaarheid van de overheidsschuld weerspiegelt. Hoewel de totale schuldquote van de eurozone aanzienlijk lager is dan die van de VS, kunnen bestaande verschillen tussen landen binnen de monetaire unie ernstige spanningen veroorzaken, zoals tijdens en rond 2012 is gebleken. Het Draghi-rapport, opgesteld op verzoek van de Europese Commissie, schetst welk beleid Europa zou moeten voeren om het groeipotentieel te vergroten en de eurozone weerbaarder te maken tegen internationale concurrentie.
China heeft in de periode 2020-2025 de Verenigde Staten en, in nog sterkere mate, de eurozone overtroffen wat betreft de groei van het reële bbp. Negatieve beoordelingen van de economische prestaties van China in de afgelopen jaren zijn daarom overdreven. Als het groeiverschil aanhoudt, zal de Chinese economie qua omvang steeds meer toegroeien naar die van de Verenigde Staten. De recente groei is echter te sterk afhankelijk geweest van de externe vraag, hetgeen heeft geleid tot aanzienlijke tekorten op de lopende rekening van de betalingsbalans en tot een uitgesproken opwaartse trend in de staatsschuld.
Samenvattend kan worden gesteld dat de belangrijkste economische blokken – zij het om verschillende redenen – worden gekenmerkt door toenemende tekorten op de betalingsbalans, hoge schuldratio’s en uiteenlopende groeipaden van het reële bbp. Deze ontwikkelingen leiden tot spanningen tussen deze blokken. Gezien de onderlinge verwevenheid van de problemen is het kortzichtig om alleen op China te focussen.
Het evenwicht herstellen
Het herstellen van evenwicht in de Chinese economie vereist het aanpakken van verstoringen aan zowel de aanbod- als de vraagzijde. Aan de aanbodzijde weerspiegelt de moordende prijsconcurrentie aanhoudende overcapaciteit in verschillende sectoren (bijv. elektrische voertuigen en staal). Het succes dat is behaald in productie en technologische ontwikkeling heeft dus ook een keerzijde: de expansie is te snel gegaan ten opzichte van de ontwikkelingen op de binnenlandse markt. De Chinese autoriteiten erkennen dit probleem en hebben expliciet verklaard dat ‘involution’ (excessieve concurrentie) zal worden aangepakt. Dat is echter makkelijker gezegd dan gedaan en mag niet ten koste gaan van de inspanningen om de productiviteit en kostenefficiëntie te verbeteren.
De huidige beleidsmaatregelen richten zich voornamelijk op strengere handhaving van bestaande regelgeving, vermindering van onnodige subsidies en gedragsbeïnvloeding door de oproep aan bedrijven, brancheorganisaties en banken om wanordelijke concurrentie te vermijden. Hoewel deze maatregelen enig effect kunnen hebben, dreigen ze de bureaucratie te vergroten en pakken ze naar mijn mening het onderliggende probleem van structurele overcapaciteit onvoldoende aan. Een werkelijk effectieve aanpak zou ook faillissements- en exit mechanismen moeten omvatten. Toegegeven, dergelijke maatregelen liggen politiek en maatschappelijk gevoelig.
Aan de vraagzijde is versterking van de particuliere consumptie essentieel om een robuuste binnenlandse markt te ontwikkelen en het enorme potentieel van die markt te benutten. Hoewel hierover brede consensus bestaat, is de ruimte voor grootschalige begrotings- en/of monetaire stimulering beperkt. De schulden – met name wanneer rekening wordt gehouden met alle voorwaardelijke verplichtingen die uiteindelijk bij de centrale overheid terecht kunnen komen – vertonen reeds een sterke opwaartse dynamiek. Budgettaire ruimte zou daarom moeten worden gecreëerd door bestaande middelen te heralloceren, inefficiënte subsidies te schrappen en private investeringen – die al onder druk staan – te stimuleren, in plaats van te steunen op met schulden gefinancierde begrotingsstimulansen. Verdere monetaire versoepeling is niet uitgesloten, maar moet wel met de nodige voorzichtigheid plaatsvinden om te voorkomen dat overmatig met schulden belaste ‘zombiebedrijven’ kunstmatig in leven worden gehouden.
De zwakke bijdrage van de consumptie aan de groei van het bbp in de afgelopen jaren weerspiegelt deels vertrouwenseffecten die verband houden met COVID-19 en de aanhoudende vastgoedcrisis. Daarnaast spelen ook dieper gewortelde, structurele factoren een rol. Uitzonderlijk hoge voorzorgsbesparingen blijven de consumptiegroei beperken. Er zijn talrijke maatregelen genomen om de onzekerheid met betrekking tot werkgelegenheid, pensioenen, gezondheidszorg, sociale zekerheid en gezinsuitgaven te verminderen, maar er moet op al deze gebieden nog meer gebeuren.
De versnelling van de modernisering van landbouw en plattelandsgebieden is een van de topprioriteiten van de overheid. China beschikt reeds over een omvangrijk maar, naar mijn mening, te overmatig versnipperd systeem van regionale herverdeling en ontwikkeling. Gezien de grote regionale inkomensverschillen zou een meer samenhangend en geïntegreerd kader voor regionale herverdeling de consumptiegroei verder kunnen ondersteunen, temeer omdat de marginale consumptiequote in arme gebieden relatief hoog is. Meer transparantie en coördinatie – eventueel via een nationaal geïntegreerd cohesiemechanisme – zou de effectiviteit van het regionaal beleid vergroten.
De Chinese lopende rekening van de betalingsbalans heeft de afgelopen decennia een opmerkelijke ontwikkeling doorgemaakt. Na een piek van ongeveer 10 procent van het bbp in 2007-2008, daalde het overschot tot circa 1,5 procent in 2020. Tijdens de COVID-19-crisis nam dit tijdelijk weer toe, voornamelijk door de export van medische producten, maar het keerde vervolgens terug naar een niveau dat het IMF in zijn External Sector Report 2024 (ESR, juli 2024) tot de conclusie bracht dat de externe positie van China en de RMB-wisselkoers in de periode 2018-2023 grotendeels consistent waren met langetermijnstabiliteit. Slechts één jaar later is deze beoordeling aanzienlijk veranderd. Volgens het meest recente ESR van het IMF (juli 2025) was de RMB in 2024 met ongeveer 8,5 procent ondergewaardeerd, waarbij de schattingen voor 2025 waarschijnlijk nog veel hoger zullen uitvallen gezien het stijgende overschot op de lopende rekening. Hoewel dergelijke, nogal ‘mechanische’ schattingen met aanzienlijke onzekerheid zijn omgeven– vooral in het geval van China vanwege beperkingen in de beschikbare gegevens – is desalniettemin duidelijk dat een geleidelijke appreciatie van de renminbi deel zou moeten uitmaken van de beleidsmix. Dat is ook wat de financiële markten verwachten.
In haar slotverklaring naar aanleiding van het artikel IV-overleg van 10 december 2025 drong het IMF er bij de Chinese autoriteiten op aan om de belangrijke onevenwichtigheden in de economie, waaronder de wisselkoers, snel en besluitvaardig aan te pakken. Dit laatste zou bijdragen aan het verminderen van de externe onevenwichtigheden door matiging van de groei van de export en ondersteuning van de binnenlandse absorptie.
Conclusie
China staat voor de noodzaak van een versnelde structurele transformatie als het een kwalitatief hoogwaardige reële groei van ongeveer 5% (4,5 tot 5%) wil handhaven, een tempo dat nodig is om het inkomen per hoofd van de bevolking tegen het midden van de jaren 2030 op het niveau te brengen van een gemiddeld ontwikkeld land. Het zal niet eenvoudig zijn een dergelijk doel te bereiken, maar het is ook niet onmogelijk. Het noodzakelijke transformatieproces kan overigens niet los worden gezien van aanpassingen die in andere landen moeten plaatsvinden. Ook deze landen zullen zich moeten aanpassen aan nieuwe geopolitieke realiteiten, veranderende marktomstandigheden, technologische en demografische ontwikkelingen en klimaatverandering. In een multipolaire wereld verdient dialoog daarbij de voorkeur boven confrontatie.
Confrontatie en zelfredzaamheid – met name de wedloop om technologische superioriteit – zijn in de drie grote economische blokken steeds dominantere beleidsuitgangspunten geworden, waarbij strategische en commerciële overwegingen vrijwel onlosmakelijk met elkaar zijn verweven. Toch zijn confrontatie en overmatige zelfredzaamheid in niemands belang, aangezien dit ten koste gaat van de welvaartswinst die voortvloeit uit internationale handel.
Het gemeenschappelijke doel zou moeten zijn een situatie te bereiken waarin geen enkele partij baat heeft bij een eenzijdige strategiewijziging: voldoende autonomie om kwetsbaarheid te voorkomen, gecombineerd met voldoende onderlinge afhankelijkheid om escalatie te kostbaar te maken. Om deze evenwichtssituatie te bereiken is een helder inzicht nodig in de wederzijdse afhankelijkheden en in de werkelijk rode lijnen die niet overschreden mogen worden. Effectieve communicatie, maar ook vertrouwen en de erkenning dat we elkaar nodig zullen blijven hebben – of het nu gaat om energie, voedselzekerheid of klimaatbeleid – zijn daarbij cruciaal.
Nout Wellink, lid van de Advisory Board van het International Monetary Institute, voormalig president van de Nederlandse Centrale Bank.
Dit artikel is gebaseerd op de eind oktober 2025 gepubliceerde globale richtlijnen voor het nieuwe vijfjarenplan en gepubliceerd in China begin januari. Het verscheen eerder (in het Engels) in het International Monetary Review.