Vanuit Shanghai analyseert Yereth Jansen de discussie rond de herziening van de Europese Cybersecurity Act. Een rapport van de China Chamber of Commerce to the EU en KPMG waarschuwt voor honderden miljarden euro’s aan kosten als Chinese leveranciers uit Europese vitale infrastructuur worden geweerd. Maar de echte vraag is groter: is dit een dure beveiligingsmaatregel, of eindelijk het begin van serieuze Europese industriepolitiek?
Yereth Jansen is duidelijk: “Europa moet niet kiezen tussen naïeve openheid en bot protectionisme. Het moet kiezen voor volwassen wederkerigheid”.
De inzet verhogen
Recente discussies over de nieuwe Europese Cybersecurity Act lijkt op het eerste gezicht technisch. Het gaat over ICT-systemen, leveranciersrisico’s, netwerken, certificering en kritieke infrastructuur. Maar wie iets langer kijkt, ziet dat er meer aan de hand is. Europa voert hier niet enkel een juridisch debat over cyberveiligheid, maar ook over macht, afhankelijkheid en de vraag of het continent nog in staat is om zelf de systemen te bouwen waarop de economie draait.
De oorspronkelijke Cybersecurity Act uit 2019 had een vrij heldere functie. De wet gaf ENISA, het Europese agentschap voor cyberveiligheid, een steviger mandaat en legde de basis voor Europese certificering van ICT-producten, diensten en processen. Het doel was om technische normen te harmoniseren, zodat een product of dienst niet in elk EU-land opnieuw door een ander controlecircus hoefde. Certificering moest vertrouwen creëren, niet geopolitiek bedrijven. ENISA omschrijft het zelf als een kader om het beveiligingsniveau van ICT-oplossingen in de hele EU herkenbaar en vergelijkbaar te maken.
Met de voorgestelde herziening, vaak CSA2 genoemd, verandert de inzet. De Europese Commissie wil niet alleen betere technische certificering, maar ook grip op ICT-toeleveringsketens. Daarbij komt een nieuw begrip centraal te staan: ‘high-risk supplier’, oftewel leverancier met verhoogd risico. Volgens juridische analyses zou CSA2 de Commissie bevoegdheden geven om leveranciers uit bepaalde derde landen als risicovol aan te merken en hun producten in kritieke onderdelen van Europese netwerken en systemen te beperken of zelfs uit te faseren. Dat raakt niet alleen telecom, maar ook sectoren als energie, transport, zorg, financiële infrastructuur, cloud, water, ruimtevaart en productie.
Hoewel China niet met naam in de voorgestelde tekst wordt genoemd, is duidelijk waar de politieke spanning zit. Reuters meldde in januari 2026 dat de voorstellen breed worden gezien als gericht op Huawei en andere Chinese technologiebedrijven. De Commissie wijst op cyberaanvallen, buitenlandse inmenging, spionagerisico’s en Europese afhankelijkheid van niet-Europese technologie. Mobiele telecomoperators zouden volgens het voorstel 36 maanden krijgen om bepaalde onderdelen van leveranciers met verhoogd risico uit te faseren zodra een officiële lijst is gepubliceerd. De uiteindelijke wet moet nog door de EU-lidstaten en het Europees Parlement worden onderhandeld, dus de tekst kan nog veranderen.
Het rapport van CCCEU en KPMG
Tegen deze achtergrond publiceerden de China Chamber of Commerce to the EU en KPMG een rapport met een stevige waarschuwing. Als Chinese leveranciers in 18 kritieke sectoren verplicht zouden worden vervangen, zou dat Europa volgens het rapport tussen 2026 en 2030 ongeveer €367,8 miljard kosten. Daarvan zou €146,2 miljard bestaan uit directe kosten, zoals vervanging van hardware, demontage, installatie en afschrijving van bestaande activa. Andere kosten zouden voortkomen uit systeemreconstructie, vertraging van digitalisering, juridische procedures en maatschappelijke effecten.
De sectorale verdeling is veelzeggend. Volgens het rapport zouden logistiek en maakindustrie samen €114,6 miljard aan schade dragen. Energie zou uitkomen op €79,9 miljard en telecom op €57,4 miljard. Juist die twee laatste sectoren zijn de ruggengraat van Europa’s digitale en groene transitie. Duitsland zou met €170,8 miljard veruit het zwaarst worden geraakt, gevolgd door Frankrijk, Italië, Spanje, Polen en Nederland.
Dat zijn grote bedragen. Te groot om achteloos weg te wuiven. Tegelijk moet men het rapport lezen voor wat het is: een belangenrapport, geschreven vanuit het perspectief van Chinese bedrijven in Europa. De berekening is gebaseerd op de aanname dat verplichte vervanging breed, snel en over 18 sectoren plaatsvindt. Dat kan gebeuren, maar het is niet hetzelfde als zeggen dat Europa morgen gegarandeerd €367,8 miljard verliest. Het is een scenario. Een drukmiddel. En waarschijnlijk ook een onderhandelingstekst.
Prijskaartje of investering?
Daarmee komen we bij de echte vraag. Is het vervangen van Chinese leveranciers duur? Ja. Ongetwijfeld. Bestaande infrastructuur afbreken voordat zij economisch is afgeschreven, is bijna altijd inefficiënt. Telecomnetwerken, energie-infrastructuur en industriële systemen zijn geen mobiele telefoons die men elke twee jaar vervangt. Ze zijn diep verweven met onderhoudscontracten, software, personeel, certificering en operationele routines.
Maar het CCCEU/KPMG-rapport doet alsof elke euro aan vervangingskosten automatisch verdampt. Dat is te simpel. Een deel van dat geld kan ook terechtkomen bij Europese bedrijven, Europese installateurs, Europese softwareontwikkelaars, Europese chipontwerpers, Europese onderhoudsteams en Europese fabrieken. Dan is het geen puur verlies, maar een dure verschuiving van afhankelijkheid naar capaciteit.
Het verschil tussen verlies en investering zit in de uitvoering. Als Europa Chinese apparatuur weert zonder Europese of betrouwbare alternatieven klaar te hebben, stijgen de kosten, vertraagt de uitrol en betaalt de consument. Als Europa dezelfde maatregelen koppelt aan productiecapaciteit, standaardisatie, snelle vergunningverlening, goedkope energie, vaardigheden en langjarige inkoopcontracten, dan wordt een deel van de rekening omgezet in strategische opbouw.
Bescherming zonder productie is dure nostalgie. Bescherming met productie is industriepolitiek.
De Chinese spiegel
China noemt de Europese plannen discriminerend en protectionistisch. Dat is politiek begrijpelijk. Maar het klinkt ook selectief. China heeft zelf al jaren een breed stelsel van cyber-, data- en veiligheidsregels waarin nationale veiligheid, controle over kritieke infrastructuur en technologische zelfredzaamheid zwaar wegen.
China’s Cybersecurity Review Measures vereisen onder meer veiligheidsbeoordelingen wanneer exploitanten van kritieke informatie-infrastructuur netwerkproducten en diensten aanschaffen die de nationale veiligheid kunnen raken. Daarbij wordt gekeken naar de veiligheid en betrouwbaarheid van de producten, de diversiteit van toeleveringsbronnen, het risico van onderbrekingen door politieke, diplomatieke of handelsfactoren, naleving van Chinese wetgeving en het risico dat data of infrastructuur onder invloed van buitenlandse overheden komen.
Ook bij data-export hanteert China een gelaagd systeem. De regels voor grensoverschrijdende datastromen zijn gebaseerd op de Cybersecurity Law, de Data Security Law en de Personal Information Protection Law, respectievelijk de wet op netwerkveiligheid, gegevensveiligheid en bescherming van persoonsgegevens. Voor bepaalde overdracht van persoonsgegevens of belangrijke data zijn veiligheidsbeoordelingen, standaardcontracten of certificering nodig. Kritieke informatie-infrastructuur en belangrijke data krijgen extra behandeling.
Sinds 1 januari 2025 heeft China bovendien nieuwe regels voor netwerkdataveiligheid, met nadruk op nationale veiligheid, publieke belangen, persoonlijke informatie en grensoverschrijdende datastromen. De vergelijking met CSA2 is niet een-op-een. Europa kijkt vooral naar leveranciers in vitale infrastructuur. China kijkt veel sterker naar data, platformen, infrastructuur en nationale controle. Maar de onderliggende logica is vergelijkbaar: wanneer technologie strategisch wordt, wint veiligheid het van vrije markttoegang.
Nog belangrijker: China heeft zelf zijn industriële ontwikkeling jarenlang gekoppeld aan zelfredzaamheid. Made in China 2025 draaide om ‘indigenous innovation’, oftewel binnenlandse innovatie, en om het verminderen van afhankelijkheid van buitenlandse technologie. Rhodium Group beschrijft dat China mikte op zelfvoorziening in kerncomponenten en basismaterialen, met een doel van 70% in 2025 in bepaalde strategische onderdelen.
Die lijn is niet verdwenen. Zij is verfijnd en uitgebreid. Volgens Rhodium Group richt China’s nieuwste industriebeleid zich steeds sterker op zelfredzaamheid, importvervanging, technologische leiderschap en controle over kritieke waardeketens. Reuters meldde eind 2025 zelfs dat Chinese chipfabrikanten bij nieuwe capaciteit in toenemende mate minstens 50% binnenlandse apparatuur moeten gebruiken, volgens bronnen bekend met de zaak. Dat is precies het soort lokaal aandeel waar Europa nu voorzichtig over begint na te denken.
Met andere woorden: China speelt dit spel al jaren. Europa begint nu pas de spelregels te lezen.
Europa’s ongemakkelijke achterstand
Europa heeft geen gebrek aan plannen. De Net-Zero Industry Act moet ervoor zorgen dat de EU tegen 2030 minstens 40% van haar jaarlijkse behoefte aan strategische schone technologie zelf kan produceren. De European Chips Act moet de Europese halfgeleiderpositie versterken en de afhankelijkheid van derde landen verminderen, met als doel het Europese aandeel in de wereldwijde chipmarkt richting 20% te brengen. De Critical Raw Materials Act zet benchmarks voor winning, verwerking en recycling van kritieke grondstoffen, met onder meer maximaal 65% afhankelijkheid van één derde land voor strategische materialen.
Ook op handelsgebied wordt Europa minder naïef. De Foreign Subsidies Regulation geeft de Commissie instrumenten om verstorende subsidies van buiten de EU aan te pakken, onder meer bij overnames en aanbestedingen. CBAM, het Carbon Border Adjustment Mechanism, legt een koolstofprijs op bepaalde importen, zodat Europese producenten die wél onder klimaatregels vallen niet automatisch worden weggeconcurreerd door vuilere import. En onder het International Procurement Instrument heeft de EU in 2025 voor het eerst gerichte beperkingen ingesteld voor Chinese medische hulpmiddelen in Europese overheidsaanbestedingen.
Daarbovenop kwam in 2026 het voorstel voor de Industrial Accelerator Act. Die moet ‘Made in EU’ en lage-koolstofcriteria invoeren bij overheidsinkoop en subsidies in strategische sectoren. Reuters schrijft dat het voorstel bedoeld is om Europese productie te versterken en afhankelijkheid van goedkope Chinese import te verminderen. Publieke inkoop in de EU is goed voor meer dan €2 biljoen per jaar, ongeveer 14% van de Europese economie. Dat is geen detail. Dat is een hefboom.
Toch blijft Europa traag. Het continent is sterk in regulering, maar zwakker in uitvoering. Het schrijft goede regels, maar bouwt te weinig fabrieken. Het formuleert doelen, maar struikelt over vergunningen. Het wil strategische autonomie, maar worstelt met energieprijzen, kapitaalmarkten, versnipperde nationale belangen en een cultuur waarin risico vaak eerst juridisch wordt weggepoetst voordat het commercieel wordt genomen.
China’s voordeel is niet alleen lage kosten. Het is coördinatie. Niet altijd efficiënt, zeker niet. Er is verspilling, overcapaciteit en politieke misallocatie. Maar wanneer China een sector strategisch verklaart, volgen subsidies, lokale overheden, banken, staatsbedrijven, private kampioenen, onderwijsinstellingen en inkoopbeleid vaak dezelfde richting. Europa doet veel, maar te verspreid.
Oost-Europa als industriële motor
Als Europa meer zelf wil produceren, moet het niet alles in Duitsland, Frankrijk of Nederland willen bouwen. Dat zou te duur en te langzaam worden. Centraal- en Oost-Europa moeten een veel grotere rol krijgen.
Polen, Roemenië, Hongarije, Tsjechië, Slowakije, Bulgarije en de Baltische staten hebben industriële ervaring, aansluiting op West-Europese waardeketens, relatief lagere arbeidskosten en vaak een sterker politiek belang bij nieuwe maakindustrie. Eurostat liet zien dat de gemiddelde arbeidskosten per uur in 2024 sterk uiteenliepen binnen de EU, met de laagste niveaus in Bulgarije, Roemenië en Hongarije, en veel hogere niveaus in landen als Luxemburg, Denemarken en België.
Maar Oost-Europa mag niet de goedkope werkbank van West-Europa worden. Dat zou een fout uit het oude globaliseringshandboek zijn. De kans ligt juist in moderne productie: batterijen, stroomnetcomponenten, industriële elektronica, medische apparatuur, defensietechnologie, warmtepompen, robotica, cybersecurity-hardware en assemblage van kritieke digitale infrastructuur. Niet alleen arbeid, maar automatisering, scholing, engineering en energie moeten centraal staan.
Europa heeft hier een strategisch voordeel. De interne markt maakt schaal mogelijk. De geografische nabijheid verkort toeleveringsketens. De uitbreiding van defensie- en energie-investeringen creëert vraag. En de politieke wil in veel Oost-Europese landen is groter dan in West-Europa, waar industriebeleid nog te vaak klinkt als een herinnering aan de jaren zeventig.
Markttoegang moet wederkerig worden
De Europese boodschap aan Chinese bedrijven zou niet moeten zijn: vertrek. Dat is dom en onnodig. De boodschap moet zijn: wie groot wil verkopen in Europa, moet ook substantieel bijdragen aan Europa.
Dat betekent lokale productie, Europese banen, lokale belastingafdracht, Europese R&D, transparantie over subsidies, onafhankelijke cybersecurity-audits, data-afscherming, lokaal onderhoud en noodcapaciteit binnen Europa. Niet alleen een verkoopkantoor in Düsseldorf en een marketingteam in Parijs, maar echte aanwezigheid in de waardeketen.
Voor strategische sectoren zou Europa kunnen werken met stapsgewijze lokale bijdrage-eisen. Bijvoorbeeld: een minimumaandeel Europese toegevoegde waarde voor publieke aanbestedingen, een hoger aandeel voor kritieke infrastructuur en extra voorwaarden wanneer bedrijven profiteren van Europese subsidies. Dat hoeft niet anti-China te zijn. Het geldt dan voor iedereen. De VS doet dit. China doet dit. India, Brazilië en andere grote markten doen varianten ervan. Europa hoeft zich niet te verontschuldigen voor het beschermen van zijn industriële basis, zolang de regels transparant, proportioneel en verdedigbaar blijven.
Belangrijk is wel dat Europa niet vervalt in primitief protectionisme. Een simpel verbod zonder alternatief maakt Europa alleen duurder. Een lokaal aandeel zonder Europese leveranciers maakt aanbestedingen onmogelijk. En verplichte technologieoverdracht, zoals China die in het verleden indirect heeft afgedwongen, zou Europa juridisch en moreel kwetsbaar maken. Beter is: markttoegang koppelen aan lokale productie, gezamenlijke R&D, Europese certificering, open standaarden en wederzijdse toegang tot aanbestedingen.
Cyberveiligheid als onderhandelingstafel
CSA2 moet dus niet worden gelezen als een technisch dossier alleen. Het is een onderhandelingstafel. Europa zegt: wij willen minder afhankelijk zijn van leveranciers die onder invloed kunnen staan van geopolitieke rivalen. China zegt: dit is discriminatie en protectionisme. Beide hebben deels gelijk.
Europa heeft legitieme veiligheidszorgen. In vitale infrastructuur is technische veiligheid niet genoeg. Een product kan vandaag veilig lijken en morgen strategisch kwetsbaar blijken door eigendom, onderhoud, updates, remote access, data-afhankelijkheid of politieke druk vanuit het land van herkomst. Cyberveiligheid is niet alleen code. Het is ook governance.
Maar China heeft ook een punt wanneer het waarschuwt voor willekeurige oorsprongsregels. Als Europa land van herkomst belangrijker maakt dan technisch bewijs, onafhankelijke audits en concrete risicobeperking, wordt de juridische basis zwakker. Daarom moet Europa niet simpelweg zeggen: Chinees is fout. Europa moet zeggen: elke leverancier in kritieke infrastructuur moet aantoonbaar veilig, controleerbaar, vervangbaar en lokaal verankerd zijn. Wie dat niet kan of wil, verliest toegang. Dat is een sterker argument. En eerlijker.
Van kosten naar capaciteit
De grootste fout zou zijn om dit debat te reduceren tot de vraag of Chinese leveranciers goedkoop of duur zijn. Natuurlijk zijn ze vaak competitief. Natuurlijk hebben zij bijgedragen aan snelle uitrol van de digitale infrastructuur. Natuurlijk wordt vervanging kostbaar. Maar goedkoop is niet hetzelfde als strategisch verstandig.
Europa heeft de afgelopen decennia te vaak kostenbesparing verward met concurrentiekracht. Productie werd verplaatst, toeleveringsketens werden langer, afhankelijkheden werden onzichtbaar en industriële kennis verdween langzaam uit regio’s waar zij ooit vanzelfsprekend was. Pas tijdens de pandemie, de energiecrisis, de Russische invasie van Oekraïne en de chiptekorten werd duidelijk hoe dun de efficiëntie eigenlijk was.
Zelfredzaamheid betekent niet dat Europa alles zelf moet maken. Dat is onrealistisch en onwenselijk. Europa moet streven naar strategische sufficiëntie: genoeg eigen of betrouwbare capaciteit om niet te worden gechanteerd, stilgezet of uitgehold. Het continent hoeft niet elke schroef zelf te produceren. Maar het moet wel grip hebben op stroomnetten, telecom, cloud, chips, defensie, medische systemen, betalingsinfrastructuur, kritieke grondstoffen en industriële software.
Daarbij hoort ook een nieuwe houding tegenover Chinese investeringen. Chinese bedrijven die in Europa willen produceren, Europese mensen aannemen, Europese regels volgen en echte lokale waarde creëren, kunnen deel van de oplossing zijn. Chinese bedrijven die alleen Europese marktaandelen willen bedienen met gesubsidieerde import, minimale lokale aanwezigheid en beperkte transparantie, versterken precies het probleem dat CSA2 probeert te adresseren.
Conclusie
De nieuwe Europese Cybersecurity Act is meer dan een cyberwet. Het is een symptoom van een grotere verschuiving. Europa begint te begrijpen dat open markten alleen werken wanneer afhankelijkheden beheersbaar blijven. De tijd waarin technologie, handel en veiligheid netjes gescheiden domeinen waren, is voorbij.
Het CCCEU/KPMG-rapport legt terecht de vinger op de kosten. Een gedwongen, brede vervanging van Chinese leveranciers zou duur zijn, vooral voor Duitsland, telecom, energie en industrie. Maar het rapport trekt een te smalle conclusie. Niet elke euro die niet meer naar Chinese leveranciers gaat, is een verlies. Sommige euro’s kunnen Europese capaciteit worden, mits de politiek eindelijk de koppeling maakt tussen veiligheid en productie.
Europa moet dus niet kiezen tussen naïeve openheid en bot protectionisme. Het moet kiezen voor volwassen wederkerigheid. Toegang tot de Europese markt blijft mogelijk, maar niet gratis en niet zonder strategische voorwaarden. Wie hier verdient, moet hier ook bouwen. Wie vitale infrastructuur levert, moet controleerbaar zijn. Wie subsidievoordeel meeneemt uit eigen land, moet dat kunnen uitleggen. Wie Europese overheden wil bedienen, moet Europese robuustheid versterken.
China heeft zijn eigen zelfredzaamheid niet opgebouwd door alleen mooie toespraken te houden over vrije handel. Het gebruikte regels, inkoopmacht, subsidies, lokale productie, datawetgeving en langetermijndoelen. Europa hoeft dat model niet autoritair te kopiëren. Maar het moet wel ophouden te doen alsof industrie vanzelf terugkomt zodra men er een beleidsnota over schrijft.
De echte test voor CSA2 is daarom niet of Europa Chinese leveranciers kan weren. De echte test is of Europa daarna iets beters kan bouwen.
Over de auteur
Yereth Jansen is een ondernemer en strategisch adviseur gevestigd in Shanghai. Als medeoprichter van China Insights Weekly analyseert hij wekelijks de nieuwste trends in China’s tech- en zakenwereld. Daarnaast is hij CEO van Darling Advertising + Design in Shanghai en adviseert hij internationale bedrijven over branding, digitale transformatie en marktstrategie in China. Met ruim 15 jaar ervaring in cross-culturele zakelijke ontwikkeling en een sterke focus op AI en platformeconomieën, helpt hij bedrijven wereldwijd om te leren van China’s technologische innovaties.