Brengt China dichterbij

Tien jaar filmen – “één lange therapiesessie”

Documentairemaakster Julie Ng over ‘Meer dan Babi Pangang’

 

door Marilou den Outer

Momenteel draait in de bioscopen de documentaire ‘Meer Dan Babi Pangang’ van Julie Ng. Ze groeide op in een restauranthouder gezin in Brabant, haar ouders emigreerden in de jaren zeventig uit Hong Kong. Julie bevond zich in twee werelden. Op school was ze ‘de ander’, een van de redenen dat ze associaties met Hong Kong het liefst uit de weg ging. Maar toen ze tien jaar geleden een filmproject wilde doen, zocht ze toch een onderwerp dichtbij huis: het gerecht babi pangang. Wat was daarvan eigenlijk de oorsprong?

Wat als een licht en luchtig onderwerp was bedoeld werd al filmend een compleet ander verhaal. In eenenzeventig minuten neemt Julie de kijker mee in een veelzijdig en indringend inkijkje in haar leven, dat van haar ouders en in feite van de Aziatische gemeenschap in het algemeen. En ja, het gaat ook over het gerecht babi pangang.

“Ik ben heel blij met het resultaat”, vertelt Julie Ng (46) aan de telefoon, als net bekend gemaakt is dat de film binnen de eerste veertien dagen al 10.000 bezoekers trok. Maar ze bedoelt vooral inhoudelijk: dat het project al draaiende de vorm kreeg die het zo aansprekend maakte.
Op zoek naar de oorsprong van het babi pangang-gerecht dook ze in de geschiedenis van de eerste Chinezen in Nederland, en trof mooie en minder mooie verhalen aan. Bijzonder zijn de oude unieke beelden van een interview met ‘tante Jo’ Kraaijeveld in Katendrecht, Rotterdam, die met Yuen Wah, eigenaar van het eerste Chinese restaurant Chong Kok Low in Nederland, trouwde en Kantonees sprak. Overigens, toen zij trouwde (in 1947) raakte zij onmiddellijk haar Nederlandse staatsburgerschap kwijt.
In die jaren werd al flink gediscrimineerd. Er werden zelfs plannen gemaakt om Chinezen die op een gegeven moment niet meer ‘nuttig’ waren voor de economie te deporteren.  
Julie: “Daar schrok ik enorm van. Dat waren dingen die ik nooit in mijn schooltijd heb gehoord. Toen wist ik: ‘babi pangang’ is slechts een onderdeel van een groter verhaal dat ik wil vertellen. De producenten haalden me vervolgens over om ook zelf in beeld te komen, dat was aanvankelijk niet mijn bedoeling. Maar door mijn persoonlijke verhaal en dat van mijn familie als drijfveer te gebruiken voor het grotere verhaal, is het voor anderen herkenbaarder geworden. Daar ben ik heel blij mee. En daarmee heeft het project ook tien jaar geduurd he”, lacht Julie.

Julie Ng en haar vader (beeld uit de film)

De documentaire gaat in op de geschiedenis van de Chinees Indische restaurants, en welke plek die in de Nederlandse samenleving hebben ingenomen. Ze zijn nu zelfs officieel immaterieel cultureel erfgoed verklaard, in een tijd waarin hun aantal sterk afneemt. Behalve in Friesland. Zo vertelt een enthousiaste Friese Gedeputeerde dat Chinees eten bij hun plattelandscultuur hoort. Voice over van Julie: “We zijn in Friesland dus gewoon – en geen vreemdeling”.
Ook zien we de shorttracker Sjinkie Knegt, die voor 1/8 Chinees bloed heeft; een Nederlandse oliefabrikant die al tientallen jaren Chinese restaurants van bakolie voorziet. In blikken met als logo het hoofd van een Chinese dame.

Tien jaar filmen – ‘één lange therapiesessie’

De beelden rond haar vader en zijn restaurant lopen als een rode draad door de film. Hij wil stoppen met het harde werken en probeert de zaak te verkopen. Voor Julie waren het pijnlijke herinneringen. De zaak stond altijd centraal, een oppas vinden was moeilijk en dus moesten zij en haar broer  braaf onder de toonbank slapen. Op school waren zij ‘de ander’ en het ‘verjaardagslied’ Hanky Panky Shanghai in de klas klonk verbijsterend en verwarrend.

 

Julie Ng en haar broertje onder het bekladde raam van het restaurant van haar ouders (beeld uit de film)

“Een heel oncomfortabele spagaat”, aldus Julie. “Ik heb een tijdje in Hong Kong gewoond, de plaats waar mijn ouders vandaan komen, en daar voelde ik ook geen connectie. Ik hoorde er niet bij, ik was daar een ‘spookmeisje’ (鬼妹, guimui) ik was teveel ‘wit’ – niet Aziatisch genoeg”.

“Ik heb jarenlang boosheid gevoeld en mijn verwijten ook geuit tegen mijn vader. Ik voelde me in de steek gelaten. Maar door dat grote filmproject en al het onderzoek heb ik heel veel geleerd over mezelf en mijn Chinese roots. Ik heb nu voor mijn gevoel een eigen Chinees-Nederlandse identiteit. En: ik ben er trots op!  Ja, in feite zijn die tien jaren één lange therapiesessie geweest”.

Klopjes op de schouder
Het slot maakt de bioscoopbezoeker daar getuige van. Julie: “Het was eind 2024, de laatste draaidag, en het budget was op. We moesten een scene draaien die de hele film aan elkaar moest breien, heel spannend. We hadden allerlei vragen bedacht om aan mijn vader te stellen. Op het laatst besloot ik alles los te laten, het voelde nu als het moment om met hem te delen wat mij al die tijd heeft dwarsgezeten. Met het risico dat hij kil zou reageren. Maar het ging goed. Ik ben er heel blij mee, het heeft de relatie met mijn vader zeker verbeterd. Nu weet hij eindelijk waarom ik al die jaren zo boos ben geweest.”

Julie’s vader (beeld uit de film)

“Hoe mijn vader nu naar de film kijkt? Praten erover doe ik niet met hem, dat is even een brug te ver. Maar hij heeft de film twee keer gezien, dat zegt al heel wat. De eerste keer was op de première, tijdens het Nederlands Filmfestival afgelopen september. Hij wist niet hoe de film eruit zou zien, ook niet hoe de eindscène eruit zou zien. Ik dacht, er zijn twee kansen: of hij onterft me, of hij is akkoord. Na afloop kon hij niets zeggen, stond met tranen in de ogen. Maar gaf me een paar klopjes op mijn schouder. Dat betekende voor mij alles”.

Voorbij de stereotypen? Nee, nog altijd niet

Dat was het persoonlijke gedeelte – geslaagd voor Julie.
Maar er is nog een belangrijk doel dat ze heeft met de film: de Chinese gemeenschap opnieuw bij het grote publiek introduceren “voorbij de stereotypen en de domme clichés”. Hanky Panky kwam al voorbij. Het verbaast Julie nog altijd: “Chinezen kwamen meer dan 100 jaar geleden naar Nederland, en pas in 2003 is de bevolkingsgroep officieel erkend als minderheid. Bizar toch?”
In de hoofden van sommige Nederlanders is die erkenning er nog steeds niet. In coronatijd laaide racisme weer op. In de media gaat het soms flink mis. In 2013 was er jurylid Gordon die een deelnemer aan Holland Got Talent van Aziatische afkomst vroeg of hij ‘Nr.39 met lijst’ ging zingen.

En ook in het radio-interview dat Julie Ng laatst had met Ruud de Wild ontspoorde het gesprek in haar ogen, omdat het niet ging over de documentaire maar vooral over flauwigheden over babi pangang. Het noopte haar tot het indienen van een klacht bij de NPO. Deze gebeurtenissen laten volgens Julie wel zien dat haar film echt nodig is geweest: “Aziaten, maar ook andere groepen, worden vaak niet als medemens gezien maar als ‘de ander’. Heel pijnlijk en kwalijk en het lijkt of fatsoen en respect soms ver te zoeken zijn. Er is nog veel werk aan de winkel”.

Julie blijft actief betrokken met de stichting Meer Dan Babi Pangang, die het Chinees Indische erfgoed onder de aandacht wil houden. Zo is er nu in samenwerking met Bersama Magazine een kookglossy uitgebracht met 88 gerechten uit de Chinees-Indische keuken, waaronder de klassiekers uit het restaurant van Julie’s vader.

De documentaire Meer dan Babi Pangang wordt gedistribueerd door Periscoop Film.
Kijk bv op Filmladder.nl waar de docu draait. 

De portretfoto van Julie Ng (bovenin het artikel) is gemaakt door fotograaf Jimena Gauna